wittgenstein site

Wittgensteins Betekenis

Hoe taal, handelen & wereld betekenis bepalen

Martin Stokhof
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2025

Bestel dit boek  bij onze partner Athenaeum Boekhandel

Door Weier Visser, Nexus-redacteur

‘Waarvan men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen.’ De taalfilosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951) besloot zijn Tractatus logico-philosophicus (1921) met deze beroemde en obscure stelling. In het traktaat zocht Wittgenstein de grenzen van de taal op. Wat zijn zinnige oordelen, wat is zinnig taalgebruik? Wittgenstein gaf een lastige op logica gebaseerde uitwerking van deze vraag. Strikt beschouwd, aldus Wittgenstein, zijn oordelen betekenisvol als ze naar iets verwijzen in de wereld. Levensbeschouwelijke oordelen, die gevormd worden in de ethiek, religie, filosofie en esthetiek, gaan over waarden. En waarden zijn niet als feiten in de wereld te vinden: over ethische vraagstukken kan worden getwist, ze kunnen niet met logica worden opgelost. De ‘levensproblemen’, zoals Wittgenstein ze noemt, worden zo gescheiden van ‘betekenisvol’ taalgebruik. En als men niks betekenisvols over deze problemen kan zeggen, is de conclusie die volgt, kan men er beter over zwijgen.

In het voorwoord van de Tractatus beaamt Wittgenstein echter dat zijn conclusie weinig oplevert. De essentiële kwesties van het leven verdwijnen niet plotseling als we weten dat we erover moeten zwijgen. Laat Wittgenstein de lezer wat betreft die kwesties dus in het ongewisse?

Het nieuwste boek van emeritus hoogleraar taalfilosofie Martin Stokhof, Wittgensteins Betekenis: Hoe taal, handelen & wereld betekenis bepalen, biedt een antwoord op die vraag. Stokhof laat de diversiteit van Wittgensteins filosofie zien aan de hand van diens analyse van betekenis. De jonge Wittgenstein van de Tractatus definieert betekenis strikt als de overeenkomst van taal en wereld. Maar Stokhof benadrukt dat volgens de latere Wittgenstein betekenis niet meer zo eenduidig te definiëren is, juist omdat het een andere vorm heeft in verschillende contexten, zoals in de ethiek, esthetiek en religie. Na de Tractatus, betoogt Stokhof, besteedt Wittgenstein meer aandacht aan de ‘levensproblemen’ en laat hij de zuiver logische benadering van betekenis los. Met deze benadering doorbreekt Stokhof het gangbare beeld van Wittgenstein als iemand voor wie de logica de belangrijkste zorg was. Hij focust op Wittgensteins analyses van betekenis in de brede zin, en dat resulteert in een verfrissende lezing van de filosoof.

Wittgensteins Betekenis leest daarnaast als een heldere inleiding tot Wittgensteins denken, en kan gebruikt worden als leeswijzer voor zijn drie belangrijkste werken – de Tractatus (1921), de Filosofische onderzoekingen (postuum 1953) en Over zekerheid (postuum 1969) – die elk netjes een hoofdstuk toebedeeld krijgen. Zo legt Stokhof stap voor stap alle belangrijke ideeën uit de Filosofische onderzoekingen uit: van ‘taalspel’, en ‘privétaal’, tot het ‘regel-volgen’. Hij brengt Wittgensteins denkontwikkeling historisch-systematisch in kaart, zonder dat dit resulteert in een te academische discussie van specifieke thema’s. Stokhof heeft een duidelijke positie – Wittgenstein sluit geen enkele vorm van betekenisgeving uit – en door middel van voetnoten en handige bibliografieën wordt duidelijk hoe zijn lezing verschilt van andere. Tegelijkertijd introduceert hij de lezer hiermee tot de specialistische literatuur. Stokhof spoort de lezer zo aan om die zelf te ontdekken, wat het werk een fijne opmaat maakt tot de studie van Wittgensteins denken.

Stokhofs lezing van Wittgenstein komt vooral in de laatste twee hoofdstukken tot haar recht. In die hoofdstukken besteedt hij aandacht aan Wittgensteins minder bekende werk, zoals zijn teksten over antropologie en ethiek. En dat levert een interessant beeld op van Wittgensteins reflecties op betekenis. Typisch creatief en beeldend schrijft Wittgenstein in een essay over de antropoloog James Frazer: ‘Als vlooien een ritus zouden ontwikkelen, dan zou deze gebaseerd zijn op de hond.’ De mens heeft behoeften en verlangens die talig kunnen worden uitgedrukt, en heeft (zintuigelijke) capaciteiten die verschillen van vlooien, of leeuwen bijvoorbeeld. ‘Als een leeuw zou kunnen spreken, zouden we hem niet kunnen begrijpen.’ De context van een uitdrukking of een gebruik bepaalt grotendeels de betekenis. Een uitspraak of handeling heeft niet altijd, in elke context, dezelfde betekenis. Sprekende leeuwen, de rituelen van vlooien: Wittgensteins creatieve geest rekt het begrip van betekenis op, vooral om te laten zien dat er niet één correcte zienswijze is ten aanzien van betekenis en taal.

Stokhof wil vooral Wittgensteins ethische denken naar voren brengen. Wittgensteins kernidee daarin, stelt hij, is dat het onzegbare moet worden beschermd tegen de inbreuk van feitelijk taalgebruik. De levensproblemen zijn niet op te lossen door de wetenschap, maar daarmee zijn ze niet afgeschreven. Stokhof beschrijft duidelijk hoe Wittgenstein met dit idee worstelt. Want als de onzegbare problemen onzegbaar blijven, wat kan men er dan mee beginnen? Een aantal jaren na de Tractatus kwam Wittgenstein in zijn ‘Lecture on Ethics’ (1929) terug op deze vraag:

Mijn neiging en, geloof ik, de neiging van iedereen die ooit heeft geprobeerd te schrijven of spreken over Ethiek of Religie was om te botsen tegen de grenzen van de taal. Dit botsen tegen de wanden van onze kooi is volkomen, absoluut hopeloos […]. Maar het is een neiging van de menselijke geest die ik persoonlijk alleen maar volkomen kan respecteren en die ik nooit of te nimmer belachelijk zou maken.

De uitingen in de ethiek, religie, maar ook in de kunsten en in de filosofie, aldus Wittgenstein, zijn vergeefse pogingen om sluitende antwoorden te vinden op de existentiële problemen. Toch hoeft men die pogingen niet te staken – men hoeft niet te zwijgen. Want ook al zullen de filosofie en alle andere levensbeschouwelijke domeinen nooit een sluitend antwoord kunnen formuleren op de grote vragen des levens, het botsen van de mensen tegen de wanden van de kooi – deze inherente neiging – toont wat het leven waardevol maakt voor de mens.

De religie en de kunsten proberen de waarde van het leven te vangen en tonen zo de thema’s die de mens belangrijk acht. Levensbeschouwelijke uitingen hebben een betekenis die niet eenduidig te vatten is in wetten, formules of feiten. Over zijn logische benadering van taal en betekenis in de Tractatus, waarbij betekenis wel eenduidig bestaat in verwijzingen naar de wereld, stelde Wittgenstein later zelfkritisch vast: ‘We zijn op glad ijs geraakt, waar geen wrijving meer is, de voorwaarde dus in zekere zin ideaal zijn, maar we juist ook niet kunnen lopen. We willen lopen, dan hebben we wrijving nodig.’

Alledaagse talige uitdrukkingen zijn niet altijd logisch correct geformuleerd, en daarom niet altijd zuiver logisch analyseerbaar. Talige gebruiken zijn doorgaans onduidelijk, verwarrend of inconsistent: dat is de ‘wrijving’ die komt kijken bij de alledaagse taal. Toch hebben ook die incorrecte of zelfs niet-talige uitingen, zoals in religie en de kunsten, betekenis. Om een volledig beeld van taal en betekenis te krijgen, moet ook de realiteit van deze uitingen worden onderkend. Na de Tractatus reflecteerde Wittgenstein op betekenis in de kunst, religie, rituelen en in de alledaagse taal. Stokhof zet die reflecties centraal en beschrijft zo een Wittgenstein die de levensproblemen niet uit de weg gaat.

Wittgensteins manier van filosoferen is eigenzinnig en zijn idee van filosofie net zo goed. In de Tractatus stelt Wittgenstein dat de taak van de filosofie de logische opheldering van taal is. Later komt Wittgenstein terug op dit idee. In de Filosofische onderzoekingen geeft hij de filosofie een ‘therapeutische’ rol. Filosofie moet reflecteren op het gebruik van de taal, juist ook op hoe bevreemdend bepaalde uitdrukkingen zijn. Waarom gebruiken we specifieke termen zo en niet anders? Stokhof benadrukt daarnaast dat Wittgenstein nog een ander idee van filosofie heeft: filosofie kan nieuwe perspectieven op de wereld tonen. De wanden van de kooi kan men niet overstijgen, ook de filosoof kan dat niet. Toch kan filosofie de speelruimte vergroten. Ze kan bestaande houdingen ten aanzien van de wereld veranderen door te reflecteren op taal, gebruiken, zingeving. Daarmee raakt ze ook het persoonlijke. De filosofie kan niet een eenduidig antwoord geven op de vraag naar de zin van het leven, maar wel bevragen hoe we leven en wat we ermee willen. Stokhof schrijft: ‘Filosofie is niet een beroep, niet iets dat onderscheiden kan worden van wie we zijn, wie we moeten zijn.’

Met Wittgensteins Betekenis doorbreekt Stokhof het heersende beeld van Wittgenstein als logicus en biedt hij een heldere inleiding in zijn idiosyncratische denkwereld. Hoewel we geen antwoorden op de essentiële vragen van het leven kunnen formuleren, aldus de filosoof, moeten we dat toch blijven doen: tegen de wanden van de kooi botsen.