Brief aan een jonge filosofe
Door Allan Janik. Dit essay verscheen in Nexus 96, ‘Draag de vlag!’. Bestel hier een papieren exemplaar.
Beste Hypatia,
Dank voor je besluit om mij te benaderen in verband met je plannen om filosofie te gaan studeren. Er zijn zeker een aantal dingen die het waard zijn om te weten over dit bijzondere, in de academische wereld unieke vakgebied. Om je raad te kunnen geven, is het belangrijkste dat ik moet weten of jij voor de filosofie hebt gekozen of dat de filosofie jou heeft uitverkozen. Berust je keuze op nieuwsgierigheid naar esoterische thema’s of ben je echt gegrepen door de raadsels rond kennis en handelen? In het eerste geval zou ik zeggen dat het, als je financieel niet onafhankelijk bent, een verspilling van tijd is om je in dit vak te verdiepen, behalve misschien als minor of ergens anders naast, en vervolgens als hobby. In het tweede geval heb je eigenlijk geen keus en zal het volgen van het vak financiële offers van je vragen, tenzij er sprake is van een familiefortuin. Wat mijzelf betreft: ik werd ‘uitverkozen’ door de filosofie toen ik op vijftienjarige leeftijd een geschiedenis van de filosofie las. Twee ideeën maakten toen diepe indruk op mij: 1) de notie dat kennis niet louter een concrete kwestie is van het simpele gebruik van onze zintuigen, maar een abstracte kwestie van iets onstoffelijks begrijpen, namelijk wat termen, tekens, symbolen en zinnen die we zowel in wetenschappelijke vertogen als in alledaagse communicatie gebruiken betekenen, en 2) Descartes’ systematische twijfel, die duidelijk liet zien dat alles wat ik ervaar anders kan zijn dan ik denk dat het is. Alleen het bestaan van het denkende ‘ik’ is zeker — dat is alles wat ik kan zeggen. Met andere woorden, noch de werkelijkheid noch ikzelf zijn wat ze volgens oppervlakkig alledaags bewustzijn lijken te zijn. Dit impliceert dat, als we de wereld klakkeloos houden voor wat ze is, we gevangen zitten in een illusie. Toen ik elf was, had ik al een ervaring die mij erop voorbereidde om zulke ideeën als de cartesiaanse twijfel serieus te nemen. Dat was toen ik in een spiegel keek en met de naïviteit van een kind de epistemologische grondvraag stelde: hoe weet ik dat wat ik zie, dat ik dat ben? Om tenslotte te bedenken dat ik een tweede spiegel nodig had die het spiegelbeeld gaf van mij die in de spiegel kijkt. Echter… dit loste nog niets op, want hoe kon ik weten dat de tweede spiegel betrouwbaar was? Dit proces duurde hoogstens een paar minuten, maar dat was genoeg voor de elfjarige Allan om naar bed te gaan omdat zijn hoofd overliep van de pogingen om dit verder te doordenken. Zoals ik het me herinner, had ik werkelijk hoofdpijn voordat ik ging liggen.
Toen ik eenmaal ontdekte dat er een academische studie bestond die zulke puzzels systematisch onderzoekt, had ik in feite geen andere keuze dan alle mogelijke filosofie te bestuderen en zo nieuwe fascinaties en plezier te vinden in een wereld vrij van banaliteit. Maar zo simpel was dat niet. Ik wist immers niets van levende filosofen: waar kon ik die vinden? Hoe leven zij? De enige context waarin ik ooit iets had gehoord over het vak filosofie was de opleiding van katholieke priesters, die onder meer om die reden voor mij interessant werd. Pas toen ik mijn universitaire studie begon, realiseerde ik mij dat filosofie een vorm van professionele kennis is die iedereen die daartoe bekwaam is zou kunnen beoefenen. Het voorbeeld van mijn eerste docent maakte mij duidelijk dat filosofen niet veel verdienen. Het hoofd van de sectie voor bachelorstudenten droeg tweedehandskleren en werkte, tot verbazing van eerstejaars en tot schrik van nieuwe stafleden, parttime als conciërge. Hij was een bijzonder en extreem geval, maar wel iemand van wie je het vak en de roeping tot de filosofie kon leren. (Er is veel meer te vertellen over de erfenis van mijn eerste leermeesters dan ik hier kan doen. De man die mij de geschiedenis van de filosofie onderwees was de dag na de bevrijding van het kamp in Buchenwald geweest en droeg die ervaring tot zijn dood vijftig jaar later met zich mee. Het doortrok elk woord van zijn colleges en hielp mij enorm om een helder beeld te krijgen van het idee van filosofie als roeping.) Hoewel hij niet verwachtte dat anderen vrijwillig armoede beleden zoals hij, benadrukte hij dat je ‘met een graad in de filosofie en een stuiver een kop koffie kon krijgen’ (dat waren nog eens tijden). Zijn colleges waren allemaal gebaseerd op teksten van Aristoteles in de standaard Engelse vertaling: logica, kosmologie, filosofische psychologie, ethiek. Voor hoofdvakstudenten waren ze moeilijk en voor ieder ander onmogelijk, maar voor degenen die hun best deden om hem te volgen waren ze een bron van kennis die centraal staat in de philosophia perennis, alsook van een onvergelijkbare intellectuele discipline. Hoewel zo’n opleiding niet voor iedereen is weggelegd, was ze precies wat mijn leergierige kleine geest nodig had. De passie die ik voor filosofie had — en nog heb — en de ermee samengaande discipline, hielpen mij door de moeilijke tijden heen toen ik leed onder werkeloosheid (die ik, in de kracht van mijn leven, tien jaar lang het hoofd moest bieden) en onder de even vernietigende gedachte dat ik iets waar ik zoveel van hield de rug zou moeten toekeren. Als ik zeg dat de filosofie mij uitverkoos, dan bedoel ik daar onder meer mee dat er nooit een moment was dat ik een ander beroep overwoog dan dat van filosoof.
Een echte filosoof zijn houdt veel meer in dan een goede filosofiestudent zijn, die kennis verzamelt van de verschillende takken en de geschiedenis van het vak en bepaalde analytische technieken, interpretatiestrategieën enzovoort leert. Het gaat om het gebruik van de kennis die je hebt verworven van de functie van epistemologische en morele begrippen om de verwarringen te verhelderen die zowel ontwikkelde wetenschappers en talentvolle kunstenaars als gewone mensen hinderen in hun pogingen om de raadsels op te lossen waarmee de levensweg bezaaid ligt. De wetenschapper of technicus repareert de klok als die niet meer werkt. De filosoof helpt bijvoorbeeld de tijdrekening te herzien wanneer om de een of andere volkomen raadselachtige reden onze standaardmanieren om de tijd te berekenen niet meer betrouwbaar zijn. Filosofische problemen zijn op die manier verbonden met totaal onverwachte omstandigheden die zelfs de meest geleerde leden van een gemeenschap volkomen verbijsteren. In zo’n situatie moeten zijzelf filosoof worden, zoals Einstein & co deden toen ze geconfronteerd werden met de notie van de relativiteit van tijd en ruimte en nog meer met de ontdekking van kwantumfenomenen. Pablo Picasso en Georges Braque deden hetzelfde toen ze het werk van Paul Cézanne probeerden te doorgronden en Picasso een schilderij maakte, zijn ‘Les Demoiselles d’Avignon’, dat hijzelf en zijn medeonderzoeker van de picturale ruimte, Braque, simpelweg niet begrepen. In dit geval vond er een paradigmaverschuiving plaats in ons concept van picturale ruimte, om een veel misbruikte frase te gebruiken, die de noodzaak met zich meebracht om onze manieren van denken bij te stellen. Wetenschappers en kunstenaars moesten dus filosofen worden of zich verlaten op filosofen om weer orde te scheppen in ons conceptuele huis. Hoewel er in dat proces menige dramatische momenten waren, vond het niet in één klap plaats en was er een hele gemeenschap op de een of andere manier bij betrokken. Dat is het punt waarop filosofie cruciaal wordt in het leven van de mens; en om filosoof te worden moet je je voorbereiden op die ‘revolutionaire’ activiteit, zoals het genoemd is. Nu zul je vragen, hoe kan ik mij erop voorbereiden met iets totaal onverwachts om te gaan? Eén kant van het antwoord op die vraag is dat het helpt als je een stevige basis hebt in een andere discipline dan de filosofie — in mijn geval was het de geschiedenis van de Habsburgse monarchie en Wenen rond 1900 –, en daarnaast is het zinnig om voorbeelden te verzamelen van radicale conceptuele veranderingen. Dat betekent dat je veel moet weten van de geschiedenis van ideeën. De geschiedkunde, betrokken als ze is op radicale conceptuele vernieuwingen, is in feite een manier om het zogeheten ‘dode verleden’ weer pregnant tot leven te brengen in onze poging de problemen van een verward heden aan te pakken. Mijn leermeesters Stephen Toulmin en Alasdair MacIntyre blonken uit in die kunst. Je moet van hen leren, en van vele anderen. Als je er echt naar streeft om filosoof te worden, een liefhebber van wijsheid, dan moet je van hen leren. Twee deugden die van immense hulp zijn op de reis over de raadselachtige slingerpaden van de filosofie, zijn humor en tolerantie. Zonder deze val je als filosoof ten prooi aan frustratie en misschien zelfs wanhoop. Mocht je ervoor kiezen dit pad te gaan volgen, dan heb je nu een idee van wat je kunt verwachten. Als ik je ergens mee kan helpen, kun je altijd op mijn advies rekenen.
Al het beste.
Vertaling Ineke van der Burg