Zweig Europeanen

Aan de Europeanen van vandaag en morgen

Stefan Zweig
Samenstelling en vertaling Thomas Huttinga,
met een voorwoord van Caroline de Gruyter
Uitgeverij IJzer, 2020

Bestel dit boek via ons partnerprogramma met Athenaeum Boekhandel

 

Door Marleen Rensen, universitair docent Moderne Europese Letterkunde

Een jaar geleden, op 12 december 2019, werden twee nieuwe gebouwen van het Europees Parlement geïnaugureerd, vernoemd naar Helmut Kohl en Stefan Zweig. De keuze voor een bekend Duits politicus als Kohl is niet zo verrassend, die voor Zweig des te meer. Het is de eerste keer dat een schrijver op deze manier geëerd wordt om zijn of haar bijdrage aan Europa. David Sassoli, de Italiaanse voorzitter van het Europees Parlement, die een toespraak hield bij de officiële opening van het Stefan Zweig-gebouw, legde uit waarom hij in de Joods-Oostenrijkse schrijver, pacifist en humanist, een ‘vader van Europa’ ziet en een blijvende inspiratie voor Europeanen.

Sassoli verwees in zijn speech allereerst naar De wereld van gisteren. Herinneringen van een Europeaan, waarin Zweig beschrijft hoe Europa door twee wereldoorlogen verscheurd werd en hij door Hitlers Jodenhaat gedwongen werd in exil te gaan, ver van het continent dat hij als zijn geestelijke vaderland beschouwde. Zijn getuigenis, zegt Sassoli, wilde hij doorgeven aan toekomstige generaties – aan ons allemaal – als een waarschuwing dat de terugval in barbarij zich op een dag kan herhalen. Sassoli hecht verder veel belang aan de lezingen over Europa, waarin Zweig een hartstochtelijk pleidooi houdt voor een verenigd Europa. Met alleen dromen en discussiëren komen we er niet, besefte Zweig, Europa is een project waaraan gewerkt moet worden, te beginnen met cultuur en onderwijs. Als jongeren van verschillende landen elkaars talen en culturen leren kennen, kan wantrouwen plaatsmaken voor begrip en kan Europa als een tweede vaderland gaan voelen. Het is ongelooflijk, zei Sassoli, maar Zweig dacht bijvoorbeeld al aan een soort Erasmus-programma voor de internationale uitwisseling van studenten.

Sassoli heeft gelijk. We kunnen het zelf lezen in de bundel Aan de Europeanen van vandaag en morgen, waarin drie van Zweigs lezingen bijeen zijn gebracht en voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald. Wie in Zweig een wat naïeve idealist meende te zien, zal door deze bundel verrast worden. De schrijver laat zich daarin namelijk van een praktische kant zien met een reeks concrete voorstellen om de volkeren van Europa dichter bij elkaar te brengen. Vertaler en samensteller Thomas Huttinga maakt in zijn inleiding en nawoord goed duidelijk dat Zweigs onvermoeibare inzet voor een vreedzaam en tolerant Europa vooral begrepen moet worden door zijn afkeer van het nationalisme, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog hysterische vormen aannam en in de jaren twintig en dertig opnieuw gevaarlijk opvlamde.

In de lezing ‘De morele ontgifting van Europa’ (1932) betoogt Zweig dat de volkeren van Europa elkaar nog steeds wantrouwen en nog lang niet zijn afgekickt van de woede en haatgevoelens waarmee ze vier jaar lang werden opgehitst. Om Europa te ‘ontgiften’ is een langdurige ontwenningskuur nodig die de diep ingesleten vijandbeelden kan veranderen. In een politieke vereniging van Europa had Zweig weinig vertrouwen, hij werkte liever aan toenadering op cultureel vlak. In dat licht doet hij allerlei praktische voorstellen, die inmiddels deels of helemaal verwezenlijkt zijn door de EU. Behalve het al genoemde programma voor internationale studentenuitwisselingen, stelde hij onder meer voor om Europese universiteiten op te richten en om nieuwe schoolboeken te schrijven, waarin de geschiedenis vanuit een transnationaal, cultureel perspectief beschreven wordt om duidelijk te maken wat landen met elkaar verbindt.

In ‘De eenwording van Europa’ (1933/1934) komt Zweig ook nog met het idee om roulerende culturele hoofdsteden aan te wijzen, zodat steden in verschillende landen een maand lang hoofdstad van Europa zijn. Nu is het zo, legt hij uit, dat allerlei internationale sportevenementen en congressen – van artsen, arbeiders, schrijvers, wijnverkopers, boeren, technici, postmedewerkers enzovoorts –  door het jaar heen in verschillende landen plaatsvinden. Bij zulke ontmoetingen leggen mensen contacten en worden ze zich bewust van het belang van transnationale verbanden. Als deze evenementen nu gedurende het jaar in dezelfde stad en maand georganiseerd worden, dan ontstaat er een Europese hoofdstad:

‘Stel dat we alle jaarlijkse congressen naar Helsinki, Praag, Lyon, Hamburg of Glasgow verplaatsen […] dan wordt deze stad voor een maand versierd met alle vlaggen van alle landen, herleeft de verscheidenheid aan Europese talen en zullen de festiviteiten vanzelf vorm krijgen.’

Het idee hierachter is dat de Europese gedachte zichtbaar en tastbaar gemaakt moest worden om een breed publiek aan te spreken. Zoals nationalisten en fascisten het volk voor zich weten te winnen met grootschalige propaganda en massabijeenkomsten, schrijft Zweig, zo zou ook Europa zich moeten ‘manifesteren’ om gevoel en passie bij de mensen los te maken.

Naarmate hij in de loop van de jaren dertig steeds pessimistischer werd over het lot van Europa, vestigde Zweig zijn hoop meer op de komende generatie en op de ‘landen van de toekomst’, die de oude droom van menselijke broederschap konden verwezenlijken. Een van die landen was Brazilië, het land waar Zweig de laatste jaren van zijn leven verbleef en waar hij in 1942 zelfmoord pleegde. In de lezing die hij in 1936 in Rio de Janeiro hield, stelt hij dat de idealen van vrede, verbinding en tolerantie er ‘frisser, krachtiger en levendiger’ zijn dan in Europa. Zweig loopt hiermee vooruit op zijn boek Brazilië, het land van de toekomst (1941), een lofrede op het Zuid-Amerikaanse land, dat hij voorstelt als een vreedzame, multiculturele en interraciale samenleving. Het is een projectie van zijn Europese ideaal dat doet denken aan het Habsburgse Rijk van zijn jeugd dat hij in De wereld van gisteren beschreef.

Hoewel Zweig in zijn lezing kritisch is over het arrogante en door haat verscheurde Europa, dat ‘het recht op geestelijke leiderschap verloren heeft’, duidt zijn droom van een wereldrijk voor alle volkeren ook op een ‘eurocentrische’ universaliteit. De Europese – lees: Romeinse, christelijke en humanistische – cultuur houdt hij namelijk als maatgevend voor de geestelijke eenwording van de mensheid. Hoeveel Zweig ook van de wereld gezien had, over de invloed van culturen buiten (West-)Europa schreef hij niet veel en ook de koloniale relaties leken hem nauwelijks te interesseren. Om zijn erfenis goed te begrijpen, moeten we ook zulke beperkingen van zijn denken zien.

Desalniettemin zijn Zweigs lezingen interessant; niet alleen om een beter en completer beeld te krijgen van de schrijver en zijn Europese denken, maar ook vanwege de parallellen met onze tijd. De opleving van nationalisme, vreemdelingenhaat en intolerantie, het zijn belangrijke thema’s in het hedendaagse Europa.

Volgens Europa-correspondent Caroline de Gruyter, die in haar voorwoord terecht benadrukt dat het huidige tijdvak heel anders is dan de jaren dertig, ligt de actuele relevantie van Zweig vooral in zijn visie op de mens, die door twee tegenstrijdige krachten gedreven wordt: het streven naar eenheid en de neiging te vernietigen. Zoals hij in zijn lezing uit 1936 schrijft, zie je die krachten terug in de geschiedenis van Europa, waarin zich perioden van morele of spirituele eenwording laten aanwijzen (onder andere de tijd van het Romeinse Rijk en de Renaissance met haar Republiek der Letteren) en perioden van versplintering en vernietiging (de Reformatie, de godsdienstoorlogen en wereldoorlogen). Wie doorredeneert op dat historische denken kan in de Brexit en het wijdverbreide euroscepticisme tekenen zien van de afbraak van de naoorlogse Europese eenwording. We zullen de vernietigende kracht nooit helemaal kunnen uitbannen, leert Zweig ons, maar we moeten ervoor zorgen dat die niet de overhand krijgt. ‘Zweig vertelt ons: wees niet naïef’, schrijft De Gruyter.

Deze boodschap roept associaties op met Ivan Krastevs boek After Europe (2017) dat ervoor waarschuwt om niet te veel naïeve hoop over Europa te koesteren. Oost-Europeanen weten veel beter dan West-Europeanen dat een schijnbaar onwankelbare orde uiteen kan vallen, stelt Krastev. Zo herinnert hij in het openingshoofdstuk aan het Habsburgse Rijk, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog tot ongeloof van velen ineenstortte. Krastev had daarbij naar Zweig kunnen verwijzen, die, mede vanuit die ervaring, over Europa schreef. De wetenschap dat er krachten zijn die het streven naar Europese eenheid ondermijnen, sterkte Zweig in de overtuiging dat het voor de toekomst van Europa van urgent belang was om zich in te zetten voor culturele openheid, tolerantie en verbinding tussen de volkeren. Het is goed dat zijn boodschap ‘aan de Europeanen van vandaag en morgen’ nu, bijna een eeuw later, ook Nederlandse lezers bereikt. Juist nu.


Lees ook: