Verhandeling-Schurman

Verhandeling over de aanleg van vrouwen voor de wetenschap

Anna Maria van Schurman
Samengesteld door Jacob Bouwman
Vertaald door Renée ter Haar
Ingeleid door Angela Roothaan
Noordboek, 2021

Bestel dit boek via onze partner Athenaeum Boekhandel

Door Thomas Heij, Nexus-redacteur 

De naam Anna Maria van Schurman (1607–1678) doet bij velen vermoedelijk wel een belletje rinkelen. Door heel het land zijn er straten, pleinen, een school en zelfs een kerkklok naar haar vernoemd. Maar waar Van Schurman haar bekendheid precies aan dankt, zal waarschijnlijk niet iedereen meteen weten. Deze ooit zo vermaarde Nederlandse humaniste en wetenschapster is inmiddels toch wat in de vergetelheid geraakt. 

Uitgeverij Noordboek stofte haar werk onlangs af en bracht een voorbeeldige nieuwe uitgave van Van Schurmans Dissertatio de ingenii muliebris ad doctrinam & meliores litteras aptitudine, kortweg Verhandeling over de aanleg van vrouwen voor de wetenschap. Een kort en spitsvondig traktaat uit 1641 dat een stuk opwekkender is dan de titel doet vermoeden. 

In krap negentien pagina’s betoogt Van Schurman in kraakheldere syllogismen dat ‘het beoefenen van de wetenschap geschikt is voor een christelijke vrouw’. Dat klinkt tegenwoordig (hopelijk) als een lachwekkende stelling. Maar gezien de status van vrouwen drie eeuwen geleden, was het destijds een stuk minder lachwekkend – of hoogstens lachwekkend om de verkeerde reden.

Dat deze verhandeling inzicht geeft in de positie van de vrouw halverwege de zeventiende eeuw, en specifiek met betrekking tot de wetenschap, is de grootste verdienste van dit klassieke werkje. Het herinnert ons eraan dat verzet tegen uitsluiting van vrouwen in de wetenschap in Nederland niet begon met Aletta Jacobs, maar een goede tweehonderd jaar eerder. 

Aan die historische context doet de gedegen en toegankelijke inleiding van Angela Roothaan goed recht. Roothaan vraagt zich af: kunnen we Van Schurman met recht een feministe avant la lettre noemen? Dat hangt natuurlijk af van hoe je feminisme opvat. Roothaan heeft daar een eenvoudig criterium voor: de strijd voor sociale gelijkwaardigheid en wettelijke gelijkheid van mannen en vrouwen. Hoewel elke tijd zo zijn eigenaardigheden heeft, zijn er door de eeuwen overeenkomsten. Van Schurman kunnen we in de eerste zin van het woord als feministe beschouwen.

Van Schurman beleed haar feminisme in woord en daad. Roothaan memoreert de colleges van de theoloog Voetius aan de universiteit van Utrecht. Bij hoge uitzondering mocht Van Schurman die volgen – ze was bevriend met Voetius – maar dan wel vanachter een schot, zodat de mannelijke studenten niet zouden worden afgeleid. Elke tijd zijn eigenaardigheid.

Voor haar Verhandeling koos Van Schurman de vorm van strakke logische redeneringen, een stijl die was overgeleverd van Aristoteles en de scholastiek, en die gangbaar was in de wetenschap in haar tijd. Grofweg lopen de argumenten steeds in drieën: een algemene stelling, een specifiek geval en een conclusie die daaruit getrokken kan worden. Bijvoorbeeld:

Het beoefenen van de wetenschap is geschikt voor wie een tamelijk rustig en vrij leven ten deel valt. En vrouwen valt vaak een tamelijk rustig en vrij leven ten deel. Dus is het beoefenen van de wetenschap vaak geschikt voor vrouwen.

Plus nog enkele zinnen toelichting die duidelijk moeten maken dat we inderdaad van de vooronderstellingen van de redenering uit kunnen gaan.

Verder gaat Van Schurman uit van de klassieke deugdenleer van Aristoteles en beroept ze zich enkele keren expliciet op Aristoteles. Daar schuilt een ironie in. Berucht is namelijk zijn beeld van de vrouw als mislukte man, met een beperkte geest en weinig redeneervermogen. 

Misschien ligt er zelfs een bewuste en subtiele spot in de Verhandeling besloten. Voor een hedendaagse lezer valt er in elk geval wat te grinniken als Van Schurman de geldende wetenschappelijke, Aristotelische methode inzet voor haar kritiek. Of neem het slot, waarin ze tegenstanders weerlegt: 

Het beoefenen van de wetenschap is niet geschikt voor iedereen die een nogal zwak verstand heeft. En vrouwen hebben een nogal zwak verstand. Dus. […] 

Op de minor antwoord ik dat zij niet zonder meer waar is, maar alleen in vergelijking met het mannelijk geslacht. Want hoewel vrouwen wat verstand betreft niet vergeleken kunnen worden met de voortreffelijker mannen – die als adelaars in de wolken zijn – wijst de praktijk toch uit dat er heel wat vrouwen te vinden zijn die niet zonder resultaat tot studie toegelaten kunnen worden. 

Vertaler Renée ter Haar heeft er soepel Nederlands van gemaakt en heel slim met onderstrepingen aangegeven waar er een Grieks citaat in de brontekst staat. Hier ontbreekt helaas net de bronverwijzing, maar de woorden zijn ontleend aan Oratio 13 van Aristide en werden door Justus Lipsius (de grote humanist van de universiteit van Leiden) gebruikt om zijn opvolger Josephus Scaliger mee te loven. Adelaars in de wolken? Was Van Schurman hier serieus? 

Hoe dan ook, de kritiek op Aristoteles nam destijds toe. Roothaan bespreekt zelfs meerdere schrijfsters en schrijvers die begin 17e eeuw Aristoteles’ beeld van de vrouw bekritiseerden. Van Schurman stond midden in deze querelle des femmes, en benadrukte de vermogens van een wetenschapsminnende vrouw als zijzelf. Maar deze benadering is volgens Roothaan ook de reden dat Van Schurman de eeuwen daarna vergeten is. Feministen na haar verlegden de strijd namelijk naar gelijke rechten en wetten, en het was vooral die slag die de positie van veel vrouwen uiteindelijk verbeterde.

Van Schurman streed niet voor rechten en zelfs niet eens voor diploma’s of officiële ambten voor vrouwen. Dat heeft er misschien mee te maken dat ze – net als bijvoorbeeld haar tijdgenoot Margaret Cavendish, die als enorm rijke hertogin in staat was zelf, thuis wetenschappelijke experimenten uit te voeren – vooral voor zichzelf opkwam. Ze wilde vooral zelf vrijelijk wetenschappelijk onderzoek kunnen doen en bovendien in een nadrukkelijk christelijk kader: niet om ‘winstbejag en ijdele roem’, maar ter ere van God. 

Van Schurman ging daarin vrij ver. Ze sloot zich aan bij de labadisten, de religieuze sekte van Jean de Labadie. Na diens dood nam Van Schurman gedeeld de leiding over de groep, die neerstreek in het Friese Wieuwerd, waar ze in 1678 overleed. Hoewel Van Schurman verder ging in het geloof dan de meeste van haar tijdgenoten, laat haar tekst mooi zien dat vroegmoderne wetenschap sterk verbonden was met het christelijk geloof. 

Het loont dus om deze tekst niet alleen door een feministische bril te lezen, maar ook met oog voor de persoonlijke geschiedenis van Van Schurman en die van wetenschap en religie in het algemeen, en als een kritische spiegel voor de hedendaagse positie van de vrouw. Kortom, dit bondige boekje biedt meerdere aanknopingspunten voor verdere verdieping en een nadere kennismaking met Van Schurman.

 

Lees ook:
• Bespreking van Pen, bed en habijt